17 december 2018

Een nieuw jaar, nieuwe kansen voor de inburgeraar?  

“Inburgeraars die nu inburgeren of die dat de komende tijd nog doen onder het huidige falende stelsel kunnen geen goede start maken.” (1)  

Met dit citaat is de toon gezet van ‘Een valse start’. De Nationale ombudsman deed onderzoek naar ons inburgeringsstelsel, naar aanleiding van klachten van inburgeraars en signalen van instanties en belangenorganisaties. Het goede nieuws is dat het falende stelstel in 2020 op de schop gaat. Momenteel is de overheid druk bezig met de herziening. 

Dat het niet lekker loopt met de inburgering, behoeft geen nieuws te zijn. Al geruime tijd lezen we krantenkoppen over het sterk gedaalde aantal cursisten dat sinds de invoering van de Wet inburgering in 2013 het inburgeringsexamen haalt, over het kleine percentage nieuwkomers dat aan werk komt, en over inburgeraars die zelf verantwoordelijk zijn voor hun inburgering, maar geen idee hebben wat dat precies inhoudt.  De Nationale ombudsman signaleert in het onderzoeksrapport vijf punten waarop het misgaat. 

Maatwerk

De eerste is een gebrek aan maatwerk. Overkoepelende regels staan centraal in het traject. Als de inburgeraar die niet opvolgt, volgt een (financiële) sanctie.  

De praktijk wijst echter uit dat er een kloof is tussen de overheidsregels en de wereld van de inburgeraar. Dat komt door het gegeven dat de inburgeraar de taal niet spreekt en dus vaak niet begrijpt wat er van hem verwacht wordt. Ook is er sprake van culturele verschillen en zit de overheid in het land van herkomst heel anders in elkaar. Daarnaast wordt er te weinig rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de inburgeraar. Mensen die een inburgeringscursus volgen hebben niet voor niets een verblijfsvergunning gekregen. Op grond van politiek-economische redenen hebben ze het land van herkomst verlaten. Er is kans op emotioneel trauma, fysieke problemen, zorg om achtergeblevenen enzovoorts.  Dit alles maakt dat het inburgeringstraject niet altijd in een rechte lijn omhoog verloopt. Een persoonlijk inburgeringsplan en een persoonlijk aanspreekpunt voor de inburgeraar zijn hard nodig.  

Breng de basis in orde

In het verlengde hiervan het volgende punt waarop het misgaat: ‘Breng met de inburgeraar eerst de basis op orde.’ Voor een effectieve en snelle inburgering is het van belang dat de overheid de inburgeraar helpt bij het op orde hebben van zijn/haar(2) eerste levensbehoeften. Veel inburgeraars bouwen bijvoorbeeld al snel schulden op omdat ze ons stelsel van sociale voorzieningen niet kennen.  

Het ontzorgen en begeleiden van inburgeraars, vooral in het begin van hun verblijf in Nederland, draagt ertoe bij dat het gehele inburgeringsproces soepeler verloopt.  Ook hiervoor geldt dat een vast aanspreekpunt voor de inburgeraar een belangrijke voorwaarde is.

Investeren in informatievoorziening

De overheid zal haar medewerkers moeten trainen om dienstverlenend en laagdrempelig met de inburgeraar te communiceren. En dat is het derde punt: het advies om te investeren in de informatievoorziening richting de inburgeraar. Het gaat dan om zowel mondelinge als schriftelijke, duidelijke uitleg. Dat is een overheidsinvestering die, naarmate de inburgeraar langer in Nederland woont, steeds kleiner zal worden. 

De kracht van een klacht

Het vierde punt hangt hiermee samen: ‘De kracht van een klacht’. Tijdens de decentralisatie van het sociaal domein hebben we ervaren hoe rommelig de overgang naar een nieuw stelsel kan verlopen. De verwachting is niet dat de overgang naar een nieuw inburgeringsstelsel vlekkeloos gaat verlopen. Klachten van de inburgeraar (die er genoeg zijn) kunnen de overheid helpen om van de fouten te leren en de nieuwe inburgeringswet steviger neer te zetten. De inburgeraar moet dan wel weten dat een klacht indienen mag, waar hij met z’n klacht terecht kan en dat de klacht serieus wordt genomen.  

Duurzame investering

Het vijfde en laatste punt dat de Nationale ombudsman aandraagt is: “Zie inburgering niet als gunst, maar als duurzame investering.” Doordat de overheidsregels niet altijd nageleefd (kunnen) worden door inburgeraars, ontstaat het beeld dat de inburgeraar niet ‘wil’ en dat hij daarom gestraft moet worden. ‘Sancties opleggen’, ‘eisen stellen’, ‘plichten nakomen’; de terminologie zegt het al. Terwijl de inburgeraars, die de Nationale ombudsman in het kader van het onderzoek gesproken heeft, aangeven zich wél verantwoordelijk te voelen, maar niet aan alle plichten kunnen voldoen.  

De overheid is er momenteel op gericht de inburgeraar zo snel mogelijk los te laten, in plaats van duurzaam in hem te investeren zodat hij op termijn zijn volle potentie kan benutten. Zouden ze meer voor het laatste gaan, dan schept dit een inspanningsverplichting en investeringsnoodzaak op korte termijn, maar levert op lange termijn winst op. Niet alleen voor de inburgeraar, maar voor de gehele maatschappij.    

Herziening is nodig

Vijf redelijk klinkende adviezen die de gelijkwaardigheid tussen overheid en inburgeraar zullen vergroten en die na initiële extra investeringen van de overheid het inburgeringsproces zullen versoepelen.  Maar dan is nu de vraag: gaat het ministerie van SZW iets doen met deze aanbevelingen?  
Het is bij het ministerie bekend dat een herziening hard nodig is. Daarom wordt in het nieuwe stelsel de verantwoordelijkheid voor de inburgering weer bij de gemeente gelegd, in plaats van bij de inburgeraar zelf. Er komt ook een persoonlijk inburgeringsplan per inburgeraar en de lening waarmee de inburgeraar zijn inburgeringscursus betaalt, wordt afgeschaft. Een paar goede, hoopvolle zetten. 

Taaleis verhogen

Een aantal aangekondigde aanpassingen op het huidige inburgeringsstelsel is echter zorgelijk: zo gaat de taaleis naar B1 (onafhankelijk gebruiker), terwijl het huidige A2-uitstroomniveau (basisgebruiker) door een erg grote groep al niet gehaald wordt. Het eerder gestelde doel A2 blijkt niet haalbaar, het is onlogisch om het stelsel op de schop te nemen én tegelijkertijd een nog hoger taalniveau verplicht te stellen.  

De ambitie om inburgeraars op een hoger taalniveau te laten uitstromen is op zich goed – op het gebied van taal zijn de tot nu toe uitgestroomde inburgeraars vaak niet zelfredzaam genoeg. Maar geef toch alstublieft prioriteit aan maatwerk en aan het persoonlijke inburgeringsplan. Want zeg nu zelf: veel jonge Eritreeërs zijn niet-gealfabetiseerde boerenzonen. Is het reëel te verwachten dat zij in korte tijd hetzelfde taalniveau behalen als de gemiddelde Nederlander? 

Aan het werk

Daarnaast moet de inburgeraar in het nieuwe inburgeringsstelsel zo snel mogelijk aan het werk. Een goed streven, want taal verwerf je nu eenmaal sneller op de werkvloer dan in het klaslokaal. De keerzijde is echter dat het snel wegzetten van mensen in een baan een korte-termijn-impuls is, terwijl het voor het uiteindelijke persoonlijke en maatschappelijke rendement beter is om mensen op het juiste moment op de juiste plek weg te zetten.    

Gelukkig spreekt minister in zijn brieven nog van een ‘denkrichting’. Dat biedt de mogelijkheid om de gekozen richtingen hier en daar nog wat bij te schaven en met op-maat-toepassingen te komen.  Cubiss wenst minister Koolmees en de zijnen veel wijsheid toe voor het nieuwe jaar!  

 

(1)  Ruitenburg, M., Van Dorst, P., Tio, A. (2018) Een valse start. Een onderzoek naar behoorlijke inburgering. P4. 2018/065 
(2) In het vervolg: ‘zijn’, ‘hem’ en ‘hij’.

 

Meer weten?
Neem contact op met: