Blog

Ken je boeken!

Workshop leesbevordering door Aidan Chambers

83 jaar is hij inmiddels, de grand old man van de leesbevordering. Zo'n zeventig studenten en oud-studenten van de masteropleiding Jeugdliteratuur, trainers Open Boek en jeugdspecialisten en leesconsulenten hebben zich op 18 september in de Tilburgse bibliotheek verzameld om hem te horen spreken, een dag later zal hij dezelfde workshop in de bibliotheek in Voorburg houden.

Aidan Chambers is lang, beweegt zich soepel en heeft voortdurend een geamuseerde glimlach op zijn gezicht. Zelf noemt hij aan het begin van de workshop zijn leeftijd, gevolgd door de mededeling dat hij op zijn laatste benen loopt. Hij brengt het feitelijk, niet als verontschuldiging of als iets wat hem dwarszit, en het blijft ongewis of hij hiermee werkelijk zijn laatste bezoek aan Nederland heeft aangekondigd. Aan zijn presentatie is het in elk geval niet af te lezen: Chambers enthousiasmeert en boeit van het begin tot het eind, met een verhaal dat begin bij de eerste homo sapiens, en dat via Socrates en Gutenberg naar de betekenis van digitalisering en de huidige stand van de neurowetenschappen leidt.

Voorlezen en herhalen

Chambers vertelt dat hij voor het eerst in Nederland sprak in 1968. Niet alleen was het een heel andere tijd, ook de manier waarop hij voor een groep stond was wezenlijk anders. Jarenlang gaf hij adviezen over leesbevordering op basis van zijn persoonlijke ervaring, maar hij kon nooit hard maken wat hij beweerde. Dat is nu niet meer zo, dankzij ontwikkelingen in de neurowetenschappen. Een voorbeeld? Voorlezen. Voorlezen is belangrijk, zo vertelde hij al jaren, maar door hersenonderzoek is nu aangetoond dat het ook daadwerkelijk cruciaal is voor de ontwikkeling van het brein.

Een ander voorbeeld: herhaling. Kinderen willen niet voor niets tot vervelens toe uit hun favoriete boek voorgelezen worden. Onbewust voelen zij aan wat ze nodig hebben om te leren. Inmiddels is dit door onderzoek bevestigd: elke keer dat je kennismaakt met een nieuw idee worden er nieuwe verbindingen in je hersenen aangelegd. Om die verbindingen bestendig te maken, moet je ze wel versterken. Een tip van Chambers: herhaal veel maar doe het parallel met de introductie van nieuwe verhalen. De nieuwe verhalen zijn idealiter gerelateerd aan het bestaande favoriete verhaal van het kind, want het brein kan maar een beperkt aantal nieuwe paden tegelijkertijd openen. Herlezen is trouwens niet alleen voor kinderen belangrijk, voegt Chambers eraan toe, maar voor ons allemaal. Het geeft ons de mogelijkheid om steeds meer betekenis toe te kennen aan wat we lezen. Een andere tip: maak lesmateriaal waarin herhaling plaatsvindt, zonder dat het saai wordt. Dat kan door oefeningen een doel te geven. Denk aan het trainen voor een marathon: er moet wel een marathon aan het eind van al je trainingssessies zijn, anders is het trainen betekenisloos.

Het ontbrekende leesgen

Wat is lezen eigenlijk precies? Chambers definieert het als het interpreteren van tekens en daar vervolgens betekenis aan geven. Lezen en schrijven zijn culturele verworvenheden: we hebben er geen gen voor, we hebben het uitgevonden. Daar hebben we lang over gedaan. Zo’n 100.000 jaar geleden verschenen de eerste mensachtigen op deze aarde, maar het schrift werd pas zo’n 5.500 jaar geleden uitgevonden. Zo lang heeft het de mensheid dus gekost om tot deze hoogst verfijnde en ingewikkelde activiteit te komen: als je onze geschiedenis in een uur zou vertellen, zou je pas in de laatste drie minuten aan het schrift toekomen. Jonge kinderen leren in drie jaar tijd lezen en schrijven. Stel je eens voor wat een enorme krachtinspanning dat is: elk kind gaat in drie jaar tijd door waar de hele mensheid bijna 100.000 jaar over heeft gedaan! Lezen en schrijven worden dus niet genetisch maar cultureel overgedragen. Maar hoe draag je iets over dat – Chambers doet het voor door ingespannen in een boek te turen – niet zichtbaar is voor de buitenwereld maar zich alleen in jouw hoofd afspeelt?

Daar introduceert hij het begrip cultural meme, een cultureel overdraagbaar idee. Lezen is een meme (de bedenker van het woord wilde dat het rijmde op gene) en wordt overgedragen zoals alle culturele ideeën worden overgedragen: door imitatie. Mensen imiteren andere mensen van wie ze houden, mensen bij wie ze willen horen en mensen op wie ze willen lijken. Als voorbeeld van een meme noemt Chambers de vele baarddragende mannen in het straatbeeld . Toen hij jong was, vertelt hij, waren baarden iets voor boeven, of iets wat je droeg om een deel van je gezicht te verbergen dat blijkbaar te erg was om aan het publiek te tonen. Nu dragen mannen baarden. Waarom? Er is geen praktische noodzaak voor (‘Women have told me kissing a man with a beard feels like kissing a hedge’). Chambers laat een dramatische stilte vallen. ‘David Beckham,’ zegt hij dan. Toen de populaire voetballer een baard ging dragen, werd deze haardracht weer salonfähig. Vertaald naar lezen betekent dat het volgende: als je als kind omgeven bent door lezers, word je zelf waarschijnlijk ook een lezer. Het omgekeerde is ook waar. Tenzij, zegt Chambers, je je wilt afzetten tegen je ouders natuurlijk.

Anders dan een computer

De dragers van memes (of de niet-dragers ervan) zijn de thuissituatie, leeftijdsgenoten (peers), een toevallige samenloop van omstandigheden, professionals, boeken zelf en de wijde wereld. Er zijn ontwikkelingen in de huidige wereld waardoor grote groepen mensen vijandig staan ten opzichte van lezen en daarmee ten opzichte van denken. Daar is zelfs een term voor: TLDR, too long, didn’t read. Maar met een pagina, wat het maximum is dat de huidige president van de Verenigde Staten wil lezen, ben je er niet. Dan verliezen we een belangrijk vermogen, namelijk het vermogen om na te denken.

De digitale ontwikkeling – let op, het is geen revolutie volgens Chambers – verandert zaken, maar er zijn een aantal universele waarheden over mensen die onveranderd blijven: mensen zijn wezens die nadenken, die praten en verhalen vertellen, die tekenen en versieringen maken, die gebeurtenissen naspelen, die taal en verbeelding gebruiken en die tekens interpreteren. Kijk maar naar jonge kinderen, zegt Chambers. Als ze een verhaal horen, willen ze dat meteen gaan naspelen. Het lijkt alsof het een noodzakelijk onderdeel van het begrijpen van het verhaal voor ze is en dat is het feitelijk ook. Of je nu een verhaal bedenkt, erover praat of erbij tekent, het zijn allemaal manieren om betekenis te geven aan de wereld. Je brein is geen computer, zegt Chambers, laat je niet wijs maken dat het ongeveer hetzelfde is: het brein is een zelflerend organisme. Terwijl je leest, groeit je brein. Hoe meer moeite een kind heeft met lezen, hoe meer je als leraar (Chambers rekent bibliothecarissen ook tot de leraren) zult moeten teruggrijpen op die andere fundamentele manieren van betekenis geven, zoals tekenen, naspelen en over het verhaal praten.

Niet zomaar elk boek

De Engelse taal kent zo’n 500.000 gebruikelijke woorden, het Zweeds daarentegen maar 80.000. Shakespeare, die meesterlijke beheerser van de Engelse taal, gebruikte ongeveer 23.000 woorden in zijn teksten. De gemiddelde persoon heeft er aan vierduizend genoeg. Vreemd genoeg kent het Engels binnen dit waanzinnige vocabulaire geen synoniem voor lezen. Of we nu het etiket van een zak chips lezen of de teksten van Shakespeare zelf, je gebruikt hetzelfde woord ervoor. Terwijl er wel degelijk grote verschillen zijn in lezen. In het eerste geval ben je geletterd (‘functionally literate’), in het tweede geval ben je een lezer.

Chambers geeft toe dat hij vroeger dacht dat het niet uitmaakte wat je las, als je maar las. Inmiddels denkt hij daar op basis van onderzoek uit de neurowetenschap, anders over. Belangrijk in het vormen van zijn mening op dit punt zijn de boeken van dr. Maryanne Wolf, in het bijzonder het net verschenen Reader, Come Home: The Reading Brain in a Digital World. Naast geletterd zijn bestaat er zoiets als diep lezen (deep reading), wat gelijk staat aan diep denken en overeenkomsten vertoont met mediteren. Deze staat bereik je niet zomaar. Vandaar dat Chambers adviseert om elke dag gezamenlijk in de klas een half uur te lezen. Dat is voldoende tijd om de staat van diep lezen te bereiken en dat maakt dat je verder wilt lezen. Door het samen te doen versterk je het plezier ervan. Het is daarbij belangrijk welk boek een kind leest, dit moet niet zomaar elk willekeurig door het kind gekozen boek zijn maar een zorgvuldig samen gekozen boek. Hier ligt een taak van de leraar: die brengt je een stap verder dan waar je zelf zou komen. Daarom, zegt Chambers, is het zo belangrijk om als leraar je boeken te kennen.

Workshop

Na afloop van zijn lezing geeft Chambers een demonstratie van zijn methode Vertel eens, aan de hand van het museumprentenboek De vogels van Ted van Lieshout en Ludwig Volbeda. Met zichtbaar plezier bespreekt hij met de aanwezigen de vier vragen waarop zijn methode is gebaseerd, waarbij hij vooral lijkt te genieten van wat hij lightbulb-moments noemde, het moment waarop een aanwezige plotseling zelf tot een nieuw inzicht over het boek komt. Regelmatig stapt hij even uit zijn rol van leraar en reflecteert met de groep op de interventie die hij daarvoor deed en meer nog, op het achterwege laten daarvan. Want dat is zijn belangrijkste boodschap voor de aanwezigen: laat de leerlingen hun indrukken delen en respecteer die. Vindt een kind het boek saai, ga er dan maar gerust vanuit dat hij het echt saai vindt. Moedig leerlingen niet aan om uit te leggen waarom ze een bepaalde mening over een boek hebben: ‘Nadenken kost tijd! De betekenis komt later wel. Het is een gezamenlijk experiment.’

Foto: Loes Reichenfeld

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet op de site getoond.